Als je een goed bouwprogramma opgesteld hebt (zie deel 1 visievorming op bladzijde 13), dan weet je hoeveel ruimtes je nodig hebt, hoe groot ze best zijn en welke onderlinge verbindingen noodzakelijk zijn.
Zo wil je bijvoorbeeld dat de toiletten toegankelijk zijn voor iedereen, zonder dat iemand naar buiten hoeft te gaan om ze te bereiken. Of je kunt ervoor kiezen om het ‘materiaalkot’ enkel toegankelijk te maken langs buiten. De keuken moet bijvoorbeeld afgesloten kunnen worden, maar ook een deur hebben naar het leidingslokaal. Al die gegevens verwerk je in een schema, met de grootte van de vlekken in verhouding tot de gewenste oppervlaktes. Dat kun je nog aanvullen met de interactie die elke ruimte met de buitenomgeving of de andere ruimtes moet maken. Ook de oriëntatie het gebouw en de afzonderlijke ruimtes kan je in dit schema opnemen.
Je kunt je tekentalenten ook uitleven op enkele schetsen. Het voordeel van een schema is wel dat je nog alle kanten uit kunt. Op een schets geef je lokalen een vorm en een plaats, wat al direct één en ander vastlegt. Op een schema moet je bijvoorbeeld alleen maar aanduiden welke lokalen met elkaar in verbinding moeten staan, niet hoe dat er concreet uitziet.
Aandachtspunten: