Als je nog geen vaste stek hebt, is het zoeken van een bouwgrond of een bebouwd perceel in de buurt waar je actief bent uiteraard de eerste vereiste. Als jeugdvereniging heb je je lokalen liefst in de buurt van woonzones, groene zones en speelterreinen. Hoe dichter je dan weer bij buren komt, hoe meer je moet nadenken over geluidsoverlast. Verder vormt de bereikbaarheid met fiets en openbaar vervoer een meerwaarde en betekent een verkeersveilige straat een pluspunt. Als je al een bestaande locatie hebt, kun je hier zelf weinig aan veranderen, behalve door te ijveren voor een verkeersveilige, jeugdvriendelijke en groene omgeving rond je lokalen.
Zodra het jeugdterrein min of meer gekend is, ga je best op onderzoek. Goed begonnen is half gewonnen! Als je van in het begin de correcte gegevens van je aanvangssituatie bij elkaar zoekt, verkleint de kans op ontgoochelingen. Wat kan en wat mag, dat varieert van perceel tot perceel, maar vaak zijn de hoofdlijnen dezelfde. Je kunt bij verschillende instanties of verenigingen informatie krijgen over heel uiteenlopende zaken.
Laten we je met de belangrijkste zaken wat op weg helpen.
Neem zo snel mogelijk contact op met de dienst Stedenbouw van je gemeente. Ze kunnen je stedenbouwkundige voorschriften meegeven met allerhande richtlijnen en informatie: zonering, situering op het terrein, bouwhoogte, gevelmaterialen, riolering en regenwaterrecuperatie, isolatie- en verluchtingseisen, regels over bomen rooien, terreinaanleg en terreinafsluitingen.
Zodra je weet of het een nieuwbouw of verbouwing is, is het verstandig om een overleg met de brandweer op te starten. Zonder een positief advies van de brandweer kom je er immers niet! De eisen en richtlijnen van de brandweer gaan over verschillende zaken: inplanting, bereikbaarheid (voor de brandweerwagen), de draairichting van deuren, de brandweerstand van wanden en deuren, de brandreactie van materialen, noodverlichting en blusmiddelen, nooduitgangen en evacuatiemogelijkheden, de breedte van evacuatiewegen, het aantal (nood)uitgangen per bouwlaag, branddetectoren, keuring van de gas- en elektriciteitsinstallatie, brandtrappen en de helling van trappen, noem maar op. Zorg dat je weet wat er verwacht wordt! Stap dus nog voor het bouwen met je bouwplannen naar de brandweer! Sommige brandweerkorpsen vragen wel een vergoeding voor deskundig advies en willen een voorontwerp voor hun neus voor ze uitspraken doen. Hou hier rekening mee.
De zeescoutsgroep kreeg na de gemeenteraadsverkiezingen slecht nieuws te verwerken over hun in erfpacht gekregen gebouw. De raming van de gemeente om met € 110 000 nog een nieuw dak te leggen, klopte niet meer. De uitgetekende constructie met sandwichpanelen en PUR-isolatie werd door de brandweer afgekeurd omdat dat geen brandweerstand van een half uur kon garanderen. Een brandveiliger constructie zou al snel € 65 000 meer kosten.
Het Centrum voor Jeugdtoerisme (www.cjt.be) heeft een handleiding opgesteld over jeugdinfrastructuur verhuren. Ook als je zelf je lokaal huurt van een eigenaar is het goed om te voldoen aan hun richtlijnen. Zorg dus dat je een goede ‘huisbaas’ hebt of bent!
Dat hangt af van ‘geval tot geval’. Of een gebouw nog te verbouwen valt, of juist sloopklaar is, moet een deskundige uitmaken (en misschien wel iemand van de dienst monumentenzorg). In het kader van duurzaamheid is een pand verbouwen wel altijd een betere oplossing. Vaak geeft dat ook een grotere gelegenheid tot ‘zelfbouw’. Wat de meeste jeugdverenigingen niet hebben, is geld. Wat ze wel hebben, is mankracht.
Een goede architect kan inspelen op de vraag naar zoveel mogelijk zelfbouw. Sommige constructiewijzen zijn hier zeer goed voor geschikt: houtbouw, strobalenbouw, het seurobric-systeem...
Check ook eens of je geen samenwerking kunt (of moet) aangaan met een naburige vereniging. Er zijn heel wat voorbeelden van samenwerking: een KSA-groep en een speelpleinwerking in hetzelfde gebouw, twee jeugdlokalen op hetzelfde terrein met een gemeenschappelijk sanitair blok... Maak dan wel goede afspraken met je medegebruikers en leg die vast in een gebruiksovereenkomst of huishoudelijk reglement.
Een plan van de bestaande toestand vormt de basis voor de verdere plannen. Dat plan is best al voldoende gedetailleerd. Die details zullen trouwens voor je stedenbouwkundige vergunning noodzakelijk zijn: plannen per verdieping, gevels, doorsneden door het gebouw, de hoogte van terreinen, aanduidingen voor nutsleidingen en riolering, terreininrichting en bomen...
Als je je gebouw toegankelijk wilt maken voor zoveel mogelijk mensen laat je best het voorontwerp van je bouwplannen doorlichten door een toegankelijkheidsbureau voor je met de werken start. Zij zijn deskundig in die materie en kunnen je dus zeker verder helpen. Voor meer informatie en contactgegevens: zie het laatste hoofdstuk (zie ook het onderdeeltje over toegankelijkheid op bladzijde 140).
Samen met het bouwprogramma (stap 0) vormen de randvoorwaarden op de concrete locatie (stap 1) een gefundeerde basis voor de uitwerking van elk ontwerp.