Wettelijke basis
-
De wettelijke basis van de onroerende voorheffing is terug te vinden in het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 (WIB '92), en meer bepaald in de artikelen 251 tot en met 260 WIB '92.
-
Er gelden een aantal algemene bepalingen. In de eerste plaats zijn er bepalingen met betrekking tot de vestiging en de invordering van de belasting, bv. de aanslag- en bezwaartermijnen, de regeling van intresten,... Meer informatie over deze bepalingen vind je in de artikelen 297 tot en met 463 WIB '92.
-
Daarnaast is ook de bepaling van het kadastraal inkomen aan bepaalde regels onderworpen. Meer informatie hierover vind je in de artikelen 472 tot en met 504 WIB '92.
Je kan deze wetteksten raadplegen via de Vlaamse Fiscale Navigator.
Letterlijk uit de wettekst
De vrijstelling voor onroerende voorheffing voor gebouwen of gronden ter beschikking gesteld van jeugdverenigingen is gebaseerd op volgende artikels en paragrafen uit de wettekst:
-
Artikel 253, 1°, WTB 1992 Van de onroerende voorheffing wordt het kadastraal inkomen vrijgesteld: 1° van de in artikel 12, § 1, vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen
-
Artikel 12, § 1, WTB 1992 § 1 Vrijgesteld zijn de inkomsten van onroerende goederen of delen van onroerende goederen gelegen in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen.
Omzendbrief
De Vlaamse overheid is bevoegd om zelf interpretatie te geven aan de toepasselijke wetsbepalingen. Dit gebeurt bij omzendbrief.
Uit deze omzendbrief bleek dat heel wat gebouwen en gronden bestemd voor jeugdwerk vrijgesteld kunnen worden van onroerende voorheffing. Niet zomaar natuurlijk. Maar wel omdat jeugdwerk een "pedagogische" rol vervult.
Voorwaarden en procedure die voortvloeien uit de wetteksten, de omzendbrief en de geldende decreten
De voorwaarden om vrijgesteld te kunnen worden
De omzendbrief vertelt ons dat, om vrijstelling te bekomen, men moet kunnen bewijzen dat men aan volgende voorwaarden voldoet:
Klik op de links hierboven voor een uitgebreide toelichting van deze voorwaarden.
De procedure om de vrijstelling te bekomen
Uit de omzendbrief en de geldende decreten blijkt dat:
-
Jeugdwerk, erkend of gesubsidiëerd via het decreet Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleid en hun lokale afdelingen, kunnen genieten van een "vereenvoudigde procedure" om vrijstelling aan te vragen. Door deze vereenvoudigde procedure wordt ook een automatische vrijstelling voor de volgende jaren in principe mogelijk.
-
Jeugdverenigingen die NIET zijn aangesloten zijn bij jeugdwerk, erkend of gesubsidiëerd via het decreet Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleid, maar WEL erkend zijn of gesubsidieerd worden via het geldende subsidiereglement jeugd van een gemeentelijke of provinciale overheid, kunnen via een "eenvoudig bezwaarschrift" en een "verklaring van de gemeentelijke of provinciale jeugddienst" in prinicpe worden vrijgesteld van onroerende voorheffing.
-
Jeugdverenigingen die NIET zijn aangesloten zijn bij jeugdwerk, erkend of gesubsidiëerd via het decreet Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleid, en NIET erkend zijn of gesubsidieerd worden via het geldende subsidiereglement jeugd van een gemeentelijke of provinciale overheid, zullen via eigen bewijsstukken moeten kunnen bewijzen dat ze winstbejag ontbreken, dat ze voldoen aan de voorwaarden in zake het systematisch karakter van het onderwijs, dat deze vereniging een pedagogische activiteit ontplooit in de respectievelijke gebouwen van het respectievelijke lokaaladres om vrijgesteld te kunnen worden van onroerende voorheffing. We noemen dit een "uitgebreid bezwaarschrift"